Actueel

Prinsjesdag 2026: wat de kabinetsplannen betekenen voor je inkomen, vermogen en pensioen

De meeste Nederlandse huishoudens gaan er in 2027 naar verwachting licht op achteruit. Achter dat gemiddelde gaan duidelijke verschillen schuil. Belastingen, zorgkosten, box 3 en wijzigingen rond pensioen en lijfrente kunnen jouw persoonlijke uitkomst sterk bepalen. We zetten de belangrijkste plannen voor je portemonnee op een rij.

Koopkracht daalt gemiddeld met 0,1 procent

Volgens berekeningen van het Nibud daalt de gemiddelde koopkracht in 2027 met 0,1 procent. Dat is de eerste gemiddelde koopkrachtdaling sinds de energiecrisis van 2022. Werkenden gaan er volgens het Prinsjesdagoverzicht gemiddeld 0,2 procent op achteruit en uitkeringsgerechtigden 0,1 procent. Gepensioneerden vormen met gemiddeld 0,3 procent koopkrachtgroei de uitzondering, al zegt dat gemiddelde lang niet alles over de situatie van iedere gepensioneerde.

Opvallend is dat de verwachte lonen met gemiddeld 3,8 procent harder stijgen dan de prijzen, waarvoor het Nibud uitgaat van 2,7 procent inflatie. Zonder de kabinetsplannen zou de koopkracht gemiddeld ruim één procent toenemen. De voorgestelde lastenverzwaringen, waaronder hogere belastingdruk en zorglasten, maken dat voordeel volgens het Nibud grotendeels ongedaan.

De gevolgen verschillen per huishouden. Lage en middeninkomens verliezen meestal hooguit enkele tientallen euro's per maand en sommige huishoudens gaan licht vooruit. De grootste dalingen ziet het Nibud bij gezinnen met twee of drie kinderen en een inkomen rond € 100.000. In enkele voorbeelden loopt het nadeel op tot € 107 per maand.

Wat verandert er aan uw inkomen

In box 1 blijven in 2027 drie belastingschijven bestaan. Volgens het Prinsjesdagoverzicht gelden de volgende voorgestelde tarieven:

Belastbaar inkomen Tarief 2027
€ 0 tot € 39.247 36,23%
€ 39.247 tot € 78.426 38,16%
Vanaf € 78.426 49,50%

Voor AOW-gerechtigden bedraagt het tarief in de eerste schijf 18,33 procent. De maximale algemene heffingskorting stijgt naar € 3.154 en de maximale arbeidskorting naar € 5.929. Daartegenover dalen de maximale inkomensafhankelijke combinatiekorting en de maximale ouderenkorting. Wat u netto merkt, hangt dus niet alleen af van het belastingtarief, maar ook van de heffingskortingen waarop je recht heeft.

De maximale onbelaste reiskostenvergoeding stijgt structureel van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026. Een werkgever mag de hogere vergoeding toepassen, maar is daartoe niet verplicht.

Zorgkosten drukken op de portemonnee

De gemiddelde zorgpremie wordt voor 2027 geraamd op € 169 per maand, ongeveer € 12,50 meer dan een jaar eerder. De uiteindelijke premies worden later door de zorgverzekeraars vastgesteld. Ook stijgt het verplichte eigen risico na jaren van € 385 naar naar verwachting € 400. Voor alleenstaanden stijgt de maximale zorgtoeslag volgens de plannen naar € 140 per maand.

Voor mensen met extra zorgkosten blijft onzekerheid bestaan. Een aantal voorgenomen bezuinigingen is uitgesteld, maar niet definitief geschrapt. Het kabinet wil bovendien de aftrek voor specifieke zorgkosten per 1 januari 2028 afschaffen. Voor 2026 en 2027 blijft de aftrek volgens het overzicht bestaan. Bewaar daarom facturen, betaalbewijzen en informatie over vergoedingen zorgvuldig.

Het belastingtarief in box 3 blijft in 2027 volgens de plannen 36 procent. Het heffingsvrije vermogen stijgt naar € 60.098 per persoon en naar € 120.196 voor fiscale partners. Voor de voorlopige aanslag 2027 worden de volgende forfaitaire rendementen gebruikt:

  • banktegoeden: 1,27 procent;
  • overige bezittingen: 6,37 procent;
  • schulden: 2,85 procent.

Vooral het hogere forfait voor overige bezittingen kan stevig doorwerken bij beleggingen, verhuurd vastgoed en andere vermogensbestanddelen. De percentages voor banktegoeden en schulden worden na afloop van 2027 definitief vastgesteld.

Is je werkelijke rendement lager dan het forfaitaire rendement, dan kan de tegenbewijsregeling van belang zijn. Een goede administratie is daarbij essentieel. Bewaar gegevens over ontvangen rente en dividend, huurinkomsten, kosten en de waardeontwikkeling van je bezittingen en schulden.

Vanaf 2028 wil het kabinet overstappen naar belasting over het werkelijk behaalde rendement. De Tweede Kamer nam de Wet werkelijk rendement box 3 in februari 2026 aan, maar de eindstemming in de Eerste Kamer is uitgesteld. Het huidige wetsvoorstel gaat voor veel beleggingen uit van een vermogensaanwasbelasting. Dat betekent dat rente en dividend worden belast, maar ook de waardestijging van aandelen in dat jaar. Je kunt dan belasting moeten betalen over koerswinst die alleen op papier bestaat, ook als je geen enkel aandeel hebt verkocht.

Aanwasbelasting of winstbelasting: wat is het verschil

Bij een vermogenswinstbelasting komt de belasting over de waardestijging in principe pas aan de orde wanneer je de belegging verkoopt en de winst echt realiseert. Dat verschil in timing kan groot zijn. Stel dat een portefeuille van € 100.000 in een jaar stijgt naar € 120.000. Bij een aanwasbelasting kan de stijging van € 20.000 direct meetellen. Bij een winstbelasting wordt de koerswinst in beginsel pas belast als de belegging later wordt verkocht.

Voor langetermijnbeleggers kan uitstel van de belasting gunstig zijn. Het bedrag dat nog niet naar de Belastingdienst gaat, kan langer belegd blijven en mogelijk verder renderen. De belasting verdwijnt niet: bij verkoop volgt in principe alsnog de afrekening. Ook moet nog worden uitgewerkt hoe verliezen, stortingen, onttrekkingen en de aankoopwaarde worden bijgehouden.

VVD wil winstbelasting voor aandelen vanaf 2028

De VVD wil voor aandelen al vanaf 2028 een vermogenswinstbelasting invoeren. Coalitiepartners D66 en CDA hebben daar bezwaren tegen, vooral omdat belastinginkomsten daardoor worden uitgesteld. Volgens stukken waarover Nextens bericht, kan een volledige overstap ertoe leiden dat de overheid € 11 miljard tot € 25 miljard later of mogelijk niet ontvangt. Daarnaast zijn er zorgen over de uitvoerbaarheid en de controlesystemen van de Belastingdienst.

Belangrijk: dit plan is nog niet definitief. Het huidige wetsvoorstel met de vermogensaanwasbelasting is formeel nog steeds het uitgangspunt. Wel is duidelijk dat het kabinet verder wil bewegen richting belasting over gerealiseerde winst. Voor beleggers zijn er dus drie perioden: tot en met 2027 het tijdelijke forfaitaire stelsel met tegenbewijs, vanaf 2028 mogelijk belasting over werkelijk rendement en daarna wellicht een verdere verschuiving naar belasting op het moment van verkoop.

Een overhaaste verkoop of grote wijziging in je portefeuille is nu niet verstandig op basis van alleen deze plannen. Zorg liever dat je administratie op orde is en wacht de definitieve wetgeving af. Aankoopprijzen en transacties worden bij een mogelijke vermogenswinstbelasting immers extra belangrijk.

Pensioen en lijfrente: grens blijft zes jaar gelijk

Een opvallend voorstel is de bevriezing van de aftoppingsgrens voor pensioen en lijfrente. Die grens bedraagt in 2026 € 137.800 en blijft volgens het kabinet van 2027 tot en met 2032 op dat bedrag staan. Boven deze inkomensgrens kan geen fiscaal gefaciliteerd ouderdomspensioen in de tweede pijler of reguliere lijfrente in de derde pijler worden opgebouwd.

Doordat lonen waarschijnlijk wel stijgen, krijgen in de loop van de jaren meer mensen met deze grens te maken. Dat kan leiden tot een groter pensioentekort, terwijl ook de fiscale jaarruimte door de aftoppingsgrens wordt begrensd. Heb je een inkomen rond of boven € 137.800, laat dan tijdig berekenen wat de bevriezing betekent voor jouw pensioenopbouw en welke aanvullende vermogensopbouw passend kan zijn. Een nettopensioen of nettolijfrente blijft mogelijk.

Wil je weten wat er voor jouw pensioen mogelijk is? Vergelijk pensioenoplossingen bij Moneywise. Heb je jaarruimte en wil je zelf aanvullend pensioen opbouwen? Bekijk dan de mogelijkheden voor lijfrente opbouwen.

Gepensioneerden gaan gemiddeld vooruit, maar niet allemaal

Het Nibud rekent voor 2027 met een gemiddelde stijging van het aanvullend pensioen van 6 procent. Dat cijfer hangt samen met de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. Pensioenfondsen kunnen bij de overstap een deel van hun reserves verdelen. Daardoor kan de stijging hoger zijn bij fondsen die in 2027 overgaan en lager bij fondsen die de overstap al eerder hebben gemaakt.

De gemiddelde koopkrachtplus van gepensioneerden is daarom geen garantie. Wie niet profiteert van een hoge pensioenverhoging, kan er in 2027 juist op achteruitgaan. Controleer daarom de communicatie van je eigen pensioenfonds en kijk niet alleen naar landelijke gemiddelden.

AOW-leeftijd blijft minder snel stijgen

Het eerdere plan om de AOW-leeftijd vanaf 2033 volledig een-op-een te koppelen aan de stijging van de levensverwachting is geschrapt. De huidige tweederdekoppeling blijft bestaan. Bij een stijging van de levensverwachting met één jaar stijgt de AOW-leeftijd in beginsel met acht maanden in plaats van twaalf maanden.

Voor mensen van wie de AOW-leeftijd nog niet definitief is vastgesteld, blijft een prognose nodig. Maak in een financiële planning altijd onderscheid tussen de wettelijk vastgestelde AOW-leeftijd en een verwachte AOW-leeftijd.

Veel maatregelen zijn nog niet definitief

Het kabinet heeft geen meerderheid in de Tweede en Eerste Kamer en heeft steun van oppositiepartijen nodig. De plannen kunnen tijdens de parlementaire behandeling dus nog wijzigen. Daarnaast zijn enkele pijnlijke maatregelen alleen uitgesteld. Zo is de verkorting van de maximale WW-duur van 24 naar 12 maanden verschoven naar 2029 en zijn ook andere bezuinigingen in de sociale zekerheid doorgeschoven.

Dat maakt langetermijnplanning lastiger. Het verstandigste uitgangspunt is om nu al meerdere scenario's door te rekenen: wat gebeurt er bij hogere lasten, een lager werkelijk beleggingsrendement, een andere pensioenstijging of een inkomensdaling? Zo voorkomt u dat je financiële plan afhankelijk wordt van één politieke uitkomst.

Wat kunt u nu doen

  • Controleer in januari je loon- of uitkeringsstrook en vergelijk het nettobedrag met 2026.
  • Maak een persoonlijke begroting met de verwachte hogere zorgpremie en het hogere eigen risico.
  • Houd voor box 3 je werkelijke inkomsten, kosten en waardeontwikkeling zorgvuldig bij.
  • Laat bij een inkomen rond of boven € 137.800 je toekomstige pensioen- en lijfrenteopbouw opnieuw beoordelen.
  • Bekijk als gepensioneerde de informatie van je eigen pensioenfonds; het gemiddelde van 6 procent hoeft niet voor jou te gelden.
  • Werk met meerdere scenario's zolang de plannen nog niet definitief zijn.

Conclusie

Prinsjesdag 2026 levert geen grote gemiddelde koopkrachtwinst op. Hogere lonen worden voor veel huishoudens ingehaald door hogere belastingen en zorglasten. Tegelijk kunnen box 3 en de bevroren pensioengrens op langere termijn een groter effect hebben dan de maandelijkse koopkrachtcijfers doen vermoeden. Juist omdat de politieke uitkomst nog onzeker is, loont het om je inkomen, vermogen en pensioen in samenhang te bekijken.

Bronnen

  • Lindenhaeghe Prinsjesdag Totaaloverzicht 2026
  • Nibud Koopkrachtberekenaar
  • De Belegger over box 3 vanaf 2028
  • Nextens over de voorgestelde vermogenswinstbelasting

De genoemde bedragen en percentages zijn gebaseerd op de Prinsjesdagstukken en de aangeleverde Nibud-berekeningen. Voorstellen kunnen tijdens de parlementaire behandeling nog wijzigen.

0 reacties

Laat een reactie achter